Indringers in het bos

Vanuit haar beschutte plekje keek ze om zich heen en zag loofbomen, struiken, varens, mos. De plek waar ze zat was een verlaten blokhut, waarvan de paar meubels die er nog stonden al waren vergaan. De staat van het kleine gebouw was zo slecht dat het hout ‘s nachts angstaanjagend begon te piepen als er een wind doorheen waaide. Bij de ingang van de hut waren nog sporen te zien van een klein pad dat er ooit was geweest, toen er nog regelmatig mensen naar deze plek liepen. Platgetrapt gras en mos. Maar dat was al zo lang geleden dat de natuur het pad langzaam weer begon op te nemen en het begroeid raakte met braamstruiken en varens. Ze was hier in de blokhut al geruime tijd veilig met haar gezin. De tweeling sliep nog, dicht tegen elkaar aan. Ze werden straks wakker en zouden honger hebben, ze moest nu snel eten voor ze gaan halen.
De zon zakte langzaam onder de horizon. Door een kleine zomerbries was een zacht geritsel van bladeren te horen en af en toe klonk het geluid van een druppel die traag van het ene blad op het andere viel. Vanwege het kleine regenbuitje dat even daarvoor op de droge grond was gevallen, rook het in het bos heerlijk naar verse regen. De natte bladeren glommen in het laatste restje zonlicht. In de stilte van het bos kon je hele groepen insecten over de grond horen scharrelen op weg naar of net uit hun schuilplaats. Muizen verscholen zich in boomschorsen voor de roofdieren en op de grond porden de vogels met hun snavels tussen de bladeren op zoek naar een kleine maaltijd. In de lucht vlogen de vleermuizen hun dagelijkse rondes waarbij ze duizenden insecten bijna mechanisch uit de lucht hapten. Even verderop werd een kudde wilde zwijnen wakker en begon een nachtelijke exercitie waarbij de dieren onbehouwen de grond omwoelden. Twee jonge boommarters liepen rondjes achter elkaar aan.
Ze rekte zich langzaam uit en ging op pad. Nadat ze probleemloos langs de boomtoppen had genavigeerd, vloog ze het bos uit, op naar de landerijen waar vaak eten te vinden was. Ze cirkelde rondjes boven de boerderijen, de stallen en de wegen waarnaast de verlichting net was aangesprongen. Na enkele minuten ging ze op een paal zitten en keek om zich heen. Iets verderop zat een ekster op een andere paal naar haar te gluren. Het gaf niet, ze tolereerden elkaar, maar soms waren ze elkaars concurrent. Ze bleef doodstil zitten en luisterde. Sinds haar man op een dag niet meer was teruggekeerd van het jagen, was ze alleen verantwoordelijk voor het eten van de tweeling. Het was zwaarder dan voorheen, maar er waren gelukkig veel muizen te vinden in deze contreien, waardoor ze nog niet echt honger hadden geleden. Eigenlijk zat ze op een ideale plek om haar jongen groot te brengen. De ekster kraste opeens luid, ze schrok ervan. Daarna ging ze weer luisteren naar de geluiden op het land. Door haar brede hoofd – dat een beetje functioneerde als een satellietschotel – kon ze beter horen dan de meeste roofdieren. Zacht hoorde ze een kleine muis door het struikgewas trippelen. Doordat haar oren op verschillende hoogtes zaten, kon ze precies inschatten waar het dier zich bevond. Net toen ze zich klaar wilde maken voor de aanval, zag ze dat de ekster haar voor was. Het luidruchtige dier pikte de verzwakte muis op en vloog verder. Ze wachtte kort op een nieuw geluid, maar besloot toen haar geluk elders te zoeken. Of het door de warme nacht kwam of de vele andere roofvogels die aan het jagen waren, dat wist ze niet, maar het jagen ging niet goed die nacht, waardoor het al uren donker was toen ze eindelijk naar huis kon met een prooi.

Toen ze dichterbij haar nest kwam, bespeurde ze algauw onraad. Ze rook vuur! In een hoge boom ging ze op een tak zitten, terwijl ze van een afstandje de vervallen blokhut gade sloeg. Er waren mensen, misschien wel een stuk of tien. Ze zaten op een klein veldje aan de zijkant van het gebouw en hadden een vuurtje gemaakt. Ze hoorde de mensen hard praten en wist dat er serieus gevaar dreigde voor haar kinderen. De tweeling zat daar binnen in het huis, wat als er brand uitbrak? Het had dan wel net geregend, maar mensen brandden wel vaker dingen af. Als mensen in de buurt waren, kwam daar vaak ellende van.
Ze bleef een tijdje kijken op zoek naar een plan. Omdat ze weinig plannen kon bedenken, zette ze in op haar instinct: ze moest de mensen verdrijven, angst aanjagen. Ze was natuurlijk niet zomaar en dier en dus nam een flinke teug adem, zette zich af van de hoge tak, roetsjte langs de hoge bomen en vloog laag langs de groep mensen. Het was een risico, maar ze kende haar eigen kracht, haar sterkte poten, maar ook haar snelheid. Op dit moment was het een nadeel dat ze zo geruisloos vloog, want om opgemerkt te worden moest ze echt iemand raken en dat betekende extra risico. Ze scheurde hard tegen iemands arm, die spontaan begon te gillen en daarna riep: “Wat is dat voor gestoord beest, we worden aangevallen!”
“What the hell was dat?”
“Wat cool, hij was zo snel ik niet kon zien wat het was.”
“Yo, het is echt een spookhut.”
“Volgens mij is hij nu weg.”
Terwijl bij de jongeren tumult uitbrak, maakte het dier zich op een hoge tak op voor een nieuwe ronde. Het zette zich weer af en suisde opnieuw langs de jongeren die deze keer alerter waren. “Fuck man, volgens mij is het een uil.”
“Wauw wat gaaf, die zie je anders nooit.”
“Vette shit, man.”
“Misschien kunnen we hem vangen.”
“Dat lukt toch nooit, die dingen zijn snel en je hoort ze helemaal niet.”
“Maar wow, hoe vet zou het zijn als we een uil konden pakken.”
“Weet je wat voor grote poten die dieren hebben, die halen je hele arm open.” Een jongen pakte een uitgetrokken sweatshirt dat dicht bij het vuur hing en bond hem om z’n arm, zoals hij eerder had gezien bij valkeniers. “Misschien dat het zo lukt?” De andere jongeren lachten schaapachtig en moedigden hem aan. Daarna zochten ze in een stapel dekens die nog in het hutje lag, zodat ze allemaal hun arm beschermen. Half dronken en high sprongen ze in de lucht als de uil voorbij kwam, maar natuurlijk liet het dier zich niet pakken.
Plotseling kwam er een meisje enthousiast uit het huisje rennen. “We moeten hier weg”, riep ze, “dat beest heeft jongen binnen.”
“Wat, waar?” De anderen dromden om haar heen.
“Wegwezen jongens, dieren met jongen zijn altijd gevaarlijk en voor hetzelfde geld gaan die kleintjes dood van de stress.” Ze duwde de anderen het hutje uit. Blijkbaar had ze genoeg gezag om de anderen weg te houden bij de kleintjes. Die begonnen inmiddels zachtjes te piepen, omdat ze honger hadden en niet goed begrepen wat er om hen heen gebeurde. En waar was hun moeder?
Na veel aandringen en dreigende woorden van het meisje, pakten de jongeren hun spullen en liepen zingend en lallend het pad af. Tussen een dichtgegroeid stuk bos keken de wilde zwijnen ze nieuwsgierig na.

Toen de kinderen al een tijdje weg waren en de uil zeker wist dat het weer veilig was, ging ze op zoek naar haar prooi die ze achter had gelaten in de hoge boom. Hij lag er niet meer. Misschien had een ander dier hem gevonden of was hij gevallen. Nu had ze nog geen eten voor haar jongen. Ze vloog naar hen toe, opgelucht dat ze er nog waren, dat ze niet ziek waren geworden van de rook. En dankbaar voor een meisje, dat ze natuurlijk niet had kunnen verstaan, maar de jongeren had weggestuurd. Toch bleef ze een slecht voorgevoel houden en zat het vuurtje dat voor het huis nog steeds brandde haar niet lekker. Alle dieren weten dat vuur gevaar betekent. De uil besloot kort te rusten, terwijl ze alert bleef, voordat ze weer op jacht ging. De nacht was nog jong, er was nog tijd genoeg om te jagen. Maar deze keer voelde ze meer tegenzin dan voorheen, omdat ze niet meer zo zeker wist dat haar kleintjes hier wel veilig waren.
Na korte tijd merkte ze dat ze toch was ingedut en zag dat haar voorgevoel klopte, het huisje waar ze haar jongen dacht veilig achter te laten stond bij de voorgevel in brand. Nadat ze erheen ging om de schade te bekijken, vloog ze angstig heen en weer. Een uil is niet in staat om een vuur te blussen, wat moest ze doen? Moest ze haar jongen ergens anders naartoe brengen en hoe moest het dan met al die andere dieren in het bos, die nu sliepen en niet konden vluchten? Nadat ze angstig een aantal rondjes om het huisje was gevlogen, zag ze om het hoekje opeens twee benen liggen. Een mens? Hoewel de angst haar meteen om het hart sloeg, bleef ze kalm. Misschien kon dit mens haar helpen om het vuur te doven. Ze ging naast zijn hoofd zitten en riep fel, waarna ze meteen wegvloog, zodat hij haar niet kon pakken. Nadat ze het drie keer had gedaan, gingen zijn ogen open. Omdat hij niet reageerde riep ze nog een keer en vloog weg.
“What the fuck”, zei de jongen terwijl hij rustig bleef liggen. “Deze drugs is echt goed, ik zag net een uil bij m’n hoofd, dat leek echt fucking levensecht. Hé, jongens, check dit dan!” Langzaam stond de jongen weer op en terwijl hij met grote passen naar buiten liep, zag hij ineens dat er vlammen uit het huis sloegen. “Holy shit”, riep hij uit. “Waar the fuck is iedereen?” Hij voelde een lichte paniek in zich opkomen, omdat hij geen idee had waar hij was en het gebouw compleet dreigde af te branden.
Toen kreeg hij een ingeving en liep naar een bergje kleding en dekens die de anderen hadden achtergelaten. Hij pakte de dekens en sloeg naar de vlammen, steeds harder. Als een bezetene bleef hij slaan: “Holy fuck, holy fuck, wat is dit voor levensechte trip.” De vlammen werden langzaam kleiner, soms laaiden ze ineens weer op, maar na een tijdje was het vuur gedoofd. De jongen sloeg met een stok tegen het zwartgeblakerde hout om te controleren of het hutje nog wel stevig was, ondanks de schade die de vlammen hadden aangericht. Er gebeurde niks. “Nou, uw huis is weer veilig, meneer uil”, zei hij tegen niemand in het bijzonder. Hij keek omhoog. “Ik weet niet waar je bent, maar ik ben wel blij dat je me geroepen hebt.” Het kampvuur was ook bijna gedoofd. “Voor hetzelfde geld was ik zelf geroosterd geweest, fucking hell!” Hij gooide de gebruikte dekens weer op een stapel en zocht zijn spullen bij elkaar. “Dank u meneer uil! Of mevrouw uil, weet ik veel! Oh wacht, u bent vast een mevrouw uil, want ik hoorde dat u jonkies heeft.” Nadat de jongen de deur uit was gelopen en de kust weer veilig leek, ging de uil rustig bij haar jongen zitten. Ze moesten maar even wachten met eten, ze ging pas morgen weer jagen. Zelfs de stoïcijnse uil had even de tijd nodig om dingen te verwerken. Ze bleef voorlopig maar even thuis. Ze keek de jongen na, die in het donkere bos over het slecht begaanbare paadje weer naar huis liep.
“Wat een vette drugs, dat moet ik echt vaker doen. Het leek zo fucking real, weet je. Fuck, fuck, FUCK!!”

Via Facebook reageerde iemand op dit korte verhaal dat het niet haar genre was. Dus vroeg ik wat haar genre wel was, zodat ik daar iets over kon schrijven. De insteek: ‘een omschrijving van het buitenleven, natuur, oude gebouwen’. Het werd een behoorlijk uitdaging, want dit is blijkbaar niet echt mijn genre 😉 Na drie dagen nadenken had ik nog steeds geen idee en dus vroeg ik Anna om hulp. En zij zette een beeldje op tafel: ‘dan doe je het hier toch over?’ En zo geschiedde. Uiteindelijk werd het dus een verhaal met buitenleven, natuur én oude gebouwen.

Meer korte verhalen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge