Van sloffende puber tot bloedfanatiek

Bij de piepjestest op de middelbare school was ik altijd degene die stopte zodra de eerste was afgevallen. Als eerste stoppen wil je natuurlijk niet, maar tweede kon prima. Wat kon mij het schelen, ik was toch niet fanatiek.

Eigenlijk was ik nergens fanatiek in. Met tennissen haalde ik regelmatig het bloed onder de nagels vandaan van mijn dubbelpartner als ik al giechelend de bal weer de baan uit sloeg. En ook bij voetballen was het vooral in de kantine dat ik erg fanatiek was. Ik had op school ook vriendinnen met wie ik een deuk lag als we weer eens een bal mistten (en met wie ik vervolgens samen op de bank belandde omdat niemand meer met ons wilde sporten)

Fanatiek? Huh, is that me?

Een paar weken geleden begon ik met dansen. In een recreatiegroepje. De minst fanatieke groep van de vereniging. En wat schetste mij verbazing? Ik heb ambitie. Ik irriteer me dood dat ik alle stappen niet ken, ik oefen thuis extra. Alles om goed te worden hierin. Huh, wat gebeurt er met me?

Is het misschien dat dansen dé sport van m’n leven is? Dat ik na gym, voetballen, tennissen, hardlopen, badminton en korfbal eindelijk mijn roeping heb gevonden? De sport waar ik alles voor opzij zet?

Nee, ik denk niet dat het aan de sport ligt, maar aan mijn leeftijd

Terwijl ik als puber dacht dat het leven mij overkwam, dat ik op een bepaalde manier in elkaar stak en ik het daarmee moest doen, weet ik nu dat het anders is. Mijn lakse, klagende pubereigenschappen hebben plaatsgemaakt voor ambiteuze, positieve grote-mensen-dromen. En als ik één ding heb geleerd die afgelopen vijftien jaar is het wel dat dingen doen met passie en ambitie echt véél leuker is dan al sloffend en mopperend.

Dus ja, ik ben fanatiek. Want dan word ik beter, dan word ik trotser en dan word ik gelukkig. Maar ja, weet een puber veel.

Geef een reactie